Organisatie-diagnose 7-S Model van McKinsey
Het “7-S model van McKinsey”is een van de meest bekende perceptiemethoden, om de mening van willekeurige groepten mensen m.b.t. hun organisatie te peilen. Het model kreeg zijn grote bekendheid middels het boek “Excellente ondernemingen” van Peters/Waterman.
Onderstaande vragenlijst is op dit model gebaseerd. De uitgewerkte lijst is een uitstekend hulpmiddel om de onderling afhankelijke organisatiekenmerken in kaart te brengen. Bij toepassing van dit concept verdient het wel aanbeveling, om vragen vanuit de eigen situatie hierin op te nemen.
Men krijgt al een redelijk betrouwbaar beeld wanneer een betrekkelijk kleine groep mensen (20-30) uit betrokken organisatie wordt ondervraagd. Een onevenwichtige samenstelling van de groep van ondervraagde personen kan het beeld vertekenen. Een goede, representatieve groep dient bijvoorbeeld een evenredige afspiegeling te zijn van de betrokken organisatie.
De vragen zijn verdeeld over de zeven gebieden die McKinsey aangeeft in zijn model. Veranderingsacties binnen één gebied hebben altijd invloed op de overige zes. Zorg voor een goede voorbereiding.
- STRATEGY
- Welke doelen heeft de organisatie eigenlijk?
- Wie zijn de belangrijkste concurrenten en waar zijn deze sterk en zwak in?
- Wat zijn de belangrijkste sterkten en zwakten in de eigen organisatie?
- Wat zijn de kansen en bedreigingen die vanuit de omgeving (inclusief interne klanten) op u afkomen?
- Spelen actieplannen voldoende in op de kansen en bedreigingen vanuit de omgeving?
- Maakt de strategie goed gebruik van de interne sterkten en zwakten?
- Heeft men inzicht in wat klanten, concurrenten, leveranciers, werknemers, kapitaalverschaffers, vakbonden e.d. van het bedrijf verwachten?
- SHARED VALUE
- Welke “slagzin”drukt de essentie van het bestaansrecht van de organisatie goed uit?
- In welke mate stemmen de privé-doelen overeen met de organisatiedoelen?
- Hoe stimuleert de leiding het “eigene” van uw organisatie?
- Waar zijn mensen in uw organisatie trots op?
- Is dit een gemeenschappelijk besef?
- Hoe schat u de loyaliteit en het commitment in van de mensen?
- Welk gedrag zou men elkaar hoogst kwalijk nemen?
- Waarmee zou men als “held”uitgeroepen worden?
- STRUCTURE
- Hoe ziet uw organisatie eruit:
- Wie rapporteert aan wie?
- Is duidelijk wie voor welke zaken de baas is?
- Hoe zijn de taken verdeeld, wie is verantwoordelijk en ook bevoegd?
- Welke integratiemechanismen zijn de belangrijkste in uw organisatie? (Tegengaan van geïsoleerde groepen binnen de organisatie)
- Hoe is de invloed van de staforganen
- Welk “ideaal typische organisatie” is het best vergelijkbaar met uw organisatie (eenvoudige structuur, machinebureaucratie, professionele-burocratie, divisiestructuur, adhocratie)?
- Wat vindt u van het aantal hiërarchische niveaus?
- Hoeveel vrijheid hebt u, om zelf besluiten te nemen?
- Zijn er bij u, naast de bestaande organisatie, projectgroepen?
- Wat vindt u van de stelling: Structuurverandering is een goed “tool of management”?
- SYSTEMS
- Welke systemen worden in uw organisatie gebruikt voor de voortgangsbewaking van kwaliteit, budgetten (in tijd en geld), arbeidstevredenheid (bv. Ziekteverzuim)?
- Welke informatiesystemen zijn er voor orderontwikkeling, productievoortgang en –besturing, beoordeling, beloning, promotie, e.d.?
- Welke beheersingsactiviteiten (regelingen) zijn er te onderkennen?
- In hoeverre zijn bestaande systemen een belemmering voor slagvaardig en flexibel opereren?
- Beschrijf de besluitvorming binnen afdelingen, buiten afdelingen.
- Welke overlegstructuren zijn er te onderkennen?
- Welke ‘informele systemen” zijn er? In hoeverre compenseren die de formele: of belemmeren ze deze?
- STAFF
- Is er voldoende personeel?
- Hoe is de personeelsopbouw v.w.b. leeftijd, kennis en ervaring?
- In hoeverre wordt gebruikgemaakt van de bekwaamheden van medewerkers?
- Hoe typeert u: energieniveau, stressbestendigheid, creativiteit, flexibiliteit en organisatievermogen van de medewerkers?
- Hoe geeft men aandacht aan de motivatie van medewerkers?
- Wordt aandacht besteed aan training en opleiding?
- Waar is deze op gericht?
- Hoe bevordert men samenwerkingszin en klantgerichtheid?
- Hoe ziet het profiel eruit van een door de leiding gewaardeerde medewerker?
- Hoe is het verloop; hoe staat het met doorstroommogelijkheden, zijn er loopbaantrajecten?
- STYLE
- Hoe duidelijk is de leiding over de missie van het bedrijf?
- Wat is uw opvatting over de zichtbaarheid, de bereikbaarheid en de betrouwbaarheid van het management?
- Hoe gaat het management om met kritiek en conflicten?
- Hoe wordt met mensen omgegaan?
- Mogen er fouten gemaakt worden?
- Durven mensen te delegeren?
- Durven mensen risico’s te nemen?
- Weet u iets van de hobby’s, van de thuissituatie van collega’s en medewerkers?
- Hoe zou u de organisatiecultuur willen typeren?
- Wat is belangrijk: orde, respect voor regels, initiatief, resultaat, openheid, omgeving?
- SKILLS
Gegeven de antwoorden op bovenstaande vragen, typeer dan per “S” de sterke en zwakke punten in de volgende kolommen:
|
STERK |
ZWAK |
1: STRATEGY |
|
|
2: SHARED VALUES |
|
|
3: STRUCTURE |
|
|
4: SYTEMS |
|
|
5: STAFF |
|
|
6: STYLE |
|
|
7: TECHNOLOGY |
|
|
8: PRODUCT |
|
|